DE SUPPOOST (2022)

14u06

 

Ik zit nog maar net terug op mijn stoel of de eerste twee bezoekers komen de trap op gelopen. “Hallo”, zeg ik (het is me niet duidelijke of de twee jongens de expo komen bezoeken of studenten zijn die wat komen rondhangen in hun atelier). Ze lijken terug te glimlachen onder hun mondmasker. Ik voel me wat ongemakkelijk. De twee gaan over tot een trage, observerende tred waaruit ik afleid dat ze weldegelijk de expo komen bezoeken. Na een paar stappen draait de ene terug om een infoblad te nemen. Fuck, denk ik, ik had moeten zeggen dat ze daar lagen. (You only had one job.)
“Links is Nederlands”, zeg ik. “Huh?”, zegt de jongen. Ik herhaal mijn zin. “Ah”, zegt hij. En hij neemt het rechtse blad. Vervolgens wandelen ze verder door de expo. Ik voel me gespannen door hun aanwezigheid en weet me geen houding te geven. Ik leg de papieren op mijn tafel recht en neem mijn notitieboek. Ik wil hen niet het gevoel geven dat ik hen bekijk. “Bedankt”, zegt een van hen ineens. Opeens waren het geen twee vreemden meer maar twee jonge mensen die een zekere verplichting tot beleefdheid voelden tegenover mij als toezichthouder van de expo. De imposante ruimte en mijn nette kleren gaven hen (onbewust?) het gevoel dat ze zich volwassen dienden te gedragen. Hoe zouden ze tegen me praten als ik hen tegenkwam op café in mijn alledaagse tenue? Ik herinner me plots dat ik moet vragen of ze de andere tentoonstelling al gezien hebben. Dat hadden ze nog niet dus ik stel voor om met hen mee te wandelen. “Vanwaar zijn jullie?”, vraag ik om even een praatje te maken (maar eigenlijk ben ik oprecht nieuwsgierig.) “Antwerpen”, zegt de ene. En in dat ene woord hoor ik inderdaad meteen het onmiskenbare accent. Ze blijken ook naar Z33 te gaan zo dadelijk. Dat is goed denk ik, stel je voor dat ze hiervoor helemaal naar Hasselt kwamen. De ene jongen met de krullen vraagt of ik hier studeer en of ik hier de hele dag moet zitten. We komen aan bij de andere expo en ik neem afscheid. Ik had hen nog veel willen vragen. Of ze ook studenten zijn bijvoorbeeld en misschien ook een kunstrichting volgen. Maar ik wilde hen niet te veel ophouden en mijn nood aan sociaal contact niet aan hen opdringen. (Maar stel je voor dat er niemand meer langskomt!)

Vlak voor de twee jongens binnenkwamen deed ik een rondje doorheen de expo met het infoblad. Ik voelde me ergens verplicht om te weten waarover de werken gaan en wat de looprichting is. De expo is voor mij even nieuw als voor de bezoekers maar voor hen ben ik er soort van deel van, een autoritair figuur zelfs.
Mijn aanwezigheid laat de bezoekers weten dat ze niet alleen zijn met de kunstwerken. Dat ik er ben om in te grijpen wanneer ze iets doen dat niet hoort. Ook al zou ik eigenlijk niet weten wat te doen. De enige persoon die ik kan bellen zit in Antwerpen. Ik kijk omhoog en zie beveiligingscamera’s. Een gevoel van opluchting overvalt me. Er is toch nog iets boven mij (letterlijk) om de zaak in het oog te houden. Ik sta er niet alleen voor.

 

14u15

Het geluid van zoemende frisdrankautomaten en voorbij zoevende auto’s is het enige geluid dat ik hoor, voor de rest valt er niet veel meer te ervaren voor mijn oren. Wanneer ik zelf een kale expo als deze bezoek vind ik het verschrikkelijk om in zo’n stilte samen te zijn met de suppoost. Ik hoor mezelf dan nog net niet ademen en word me erg bewust van de geluiden die ik maak en de ruimte die ik inneem. Zouden de jongens zich ook zo gevoeld hebben?

Ze praatten zachtjes daarstraks maar waarom? Het is niet dat ze andere bezoekers of mij zouden storen. Misschien hadden ze de werken beter in zich kunnen opnemen als ze niet het gevoel hadden dat ze op hun tenen moesten lopen en fluisteren.